Zeeland bestond vroeger uit allemaal losse eilandjes. Elk eiland ontwikkelde z’n eigen dracht. Eind 1800 begin 1900 waren er wel 13 verschillende drachten. Alle drachten hebben, op één na, een oorijzer waarbij de ijzers op Zuid Beveland afwijken van de rest van Zeeland. Wat ook uniek is op Zuid Beveland is dat de Katholieke en de Protestantse dracht naast elkaar voorkwamen. Het verschil in dracht zorgde ervoor dat een jongen nooit met een meisje van een ander geloof thuis kon komen. Er waren werkdrachten voor normale werkdagen, zondagse drachten met pracht en praal en speciale drachten voor zware rouw, halve rouw en lichte rouw. Klederdracht verdween in rap tempo als gevolg van de tweede wereldoorlog, de Watersnoodramp en de militaire dienst. In 2020 waren er nog zo’n 20 boerinnen die elke dag nog klederdracht dragen.
In de zaal wordt een informatieve film getoond waarin gebruikers zelf vertellen over het gebruik van klederdracht in Zeeland. In de zaal staat langlopende wisselende tentoonstelling van poppen op ware grootte getooid in diverse drachten. Ook accessoires die de dracht compleet maken zoals tasjes, kragen en mutsen zijn te zien.